Daar zit hij dan. Een ventje van acht jaar, in een shirt dat gemaakt moet zijn toen zijn ouders nog niet eens aan hem dachten (het Ajax-uitshirt van ’96-97). Zak Cheetos op zijn schoot, glas ArenA-sinas in zijn hand, met grote ogen alle mensen om hem heen in zich opnemend. Het is duidelijk: dit jongetje mag met papa mee. Een van papa’s vrienden is verhinderd om de wedstrijd te bezoeken en dus gaat het ventje, dat waarschijnlijk Jari heet, naar zijn allereerste live voetbalwedstrijd.
Opvoedkundig gaat dit tegen alle adviezen in. De vader van Jari weet nog wel dat zijn zoon acht jaar is, maar zijn beste vriend ziet het niet zo. Terwijl deze veertiger zijn vierde halve liter Grolsch ondersteunt op een buik die verraadt dat er elke wedstrijd minimaal acht ingaan, heeft hij het met Jari over Jol’s keuze voor Kennedy, over lekkere wijven op de tribune en, natuurlijk, ‘die kankerkakkerlakken’, die met 2-3 wonnen in Tilburg.
Jari is alleen maar verontwaardigd dat papa’s beste vriend een regen van spuug op hem laat neerdalen. Laat staan dat hij weet hoe hij moet reageren als de man met zijn biervrije arm de lucht in stoot en ‘waar komen joden toch vandaan?’ roept.
Stiekem vind ik het mooi. Stiekem wilde ik dat ik zo’n vader had, alleen dan zonder die vriend. Eentje met een seizoenkaart en een andere vriend die lekker vaak niet kon. Maar ik vermoed nog steeds dat mijn vader, diep in zijn hart( ik schaam me er zelfs een beetje voor), een Feyenoorder is, dus toen ik klein was bleef het bij Studio Sport op zondag. Maar later, als ik zelf kinderen heb, gaan ze mee naar Ajax. Ik ga niet in 428 zitten, maar als ik de financiĆ«le middelen heb wil ik mijn kinderen zo snel mogelijk meenemen. Clubliefde is iets waar je mee opgroeit, en stel je voor… stel je voor dat je kind op een dag zegt dat het voor PSV is… ach ja, adoptie is ook altijd nog een mogelijkheid.
Met Jari komt het wel goed. Hoewel hij nog te jong lijkt om het spel echt te begrijpen, springt hij omhoog op de juiste momenten en zet zelfs dapper ‘Ja-la-la-la-la-la-la, Ajax Amsterdam!’ in. Er zijn wel momenten dat meer aardse zaken dan de Godenzonen hem tot diepe gedachten dwingen. Met een frons in zijn voorhoofd richt hij zich tot mij, om te vragen wat ik deed toen mijn voortand nog maar aan twee draadjes hing. Ik heb geen tijd om te antwoorden: samen met Jari spring ik op als Cvitanich de 6-0 maakt. Het jongetje is zijn vraag alweer vergeten. Hij weet belangrijke zaken al te scheiden van de minder belangrijke.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten